Homeopathie

De Duitse arts en scheikundige Samuel Hahnemann (1755-1843) ontwikkelde tijdens zijn leven de homeopathie als een nieuwe behandelmethode. Hij beschreef de filosofie en werkwijze van de homeopathie vooral in twee boeken: Organon der Geneeskunst en Chronische Ziekten.

In de afgelopen 200 jaar is de homeopathie verder ontwikkeld door andere bekende homeopaten die de klassieke uitgangspunten van Hahnemann hebben gevolgd. Kenmerkend voor deze ontwikkeling is de naleving van een zorgvuldige methode gebaseerd op waarneming en experimenten. Bekende homeopaten, zoals C. Hering, C. Burnett, J.T. Kent, W. Boericke en M. Tyler, lieten zien dat ze goede resultaten behaalden met het volgen van de oorspronkelijke uitgangspunten, zelfs met moeilijke en ernstige kwalen, zowel op mentaal, emotioneel als fysiek vlak. De geschiedenis laat zien dat homeopathie groot is geworden door de succesvolle resultaten van homeopaten die werkten vanuit de basisprincipes.

Rond 1900 waren er in de VS 22 homeopathische opleidingen en 140 homeopathische ziekenhuizen. Het New York Homeopathic Medical College and Flower Hospital is daar een voorbeeld van.

Oorspronkelijke basisprincipes

De NOKH vindt het belangrijk dat homeopathie wordt toegepast volgens de basisprincipes van de oorspronkelijke homeopathie. Deze principes zijn de afgelopen 200 jaar in de praktijk veelvuldig beproefd en verder aangescherpt. Hieronder worden de zeven basisprincipes toegelicht. 

1. Individualiteit

Bij de behandeling wordt uitgegaan van de individualiteit van de patiënt. De individualiteit van de patiënt wordt weergegeven door middel van een totaalbeeld van symptomen en verschijnselen. De anamnese wordt gebruikt voor het in kaart brengen van dit totaalbeeld.

2. Vastleggen middelbeelden

Ieder homeopathisch middel heeft een eigen middelbeeld. Het is belangrijk dat de informatie over een middel wordt verkregen via een reproduceerbare en objectieve methode. Dit kan door observatie en vastlegging van:

  • Mentale, emotionele en/of fysieke klachten die ontstaan nadat een persoon zonder manifeste klachten het middel heeft ingenomen, bijvoorbeeld in het kader van een zogenaamde geneesmiddelproef. Op deze manier wordt de homeopathische werking van (nieuwe) middelen onderzocht.
  • Mentale, emotionele en/of fysieke klachten die verbeteren of verdwijnen nadat een persoon met manifeste klachten het middel heeft ingenomen tijdens een homeopathische behandeling.

3. Similimum

De basis van de homeopathie is het inzetten van een middel dat bij proefpersonen bepaalde klachten kan oproepen, en herstellend werkt bij mensen met dezelfde klachten. Als het individuele beeld van de patiënt overeenkomt met het middelbeeld van het homeopathische middel, wordt dit homeopathische middel het similimum genoemd. De homeopaat zoekt tijdens de behandeling naar het similimum. Het similimum is in staat het herstelproces op gang te brengen en te houden.

4. Simplex

Tijdens de behandeling wordt één middel tegelijk ingezet. Het voorgeschreven middel is gemaakt van één basisstof en krijgt de tijd om het herstelproces in gang te zetten en op gang te houden. Als na evaluatie blijkt dat het middel niet het gewenste resultaat heeft, kan de behandeling aangepast worden, bijvoorbeeld door een andere potentie of een ander homeopathisch middel te geven.

5. Minimale dosis

Er wordt gebruikgemaakt van de dosis die net genoeg is om het organisme te stimuleren tot herstel.

6. Dynamisatie

Door het proces van verdunnen en schudden wordt de homeopathische werking van de middelen versterkt.

7. Vitale levenskracht

Bij de behandeling gaat de homeopaat er vanuit dat er een niet direct waarneembare en meetbare levenskracht aanwezig is die het organisme stuurt en in stand houdt.

Niet-ondersteunde toepassingen

De benaming ‘klassieke homeopathie’ wordt gebruikt om aan te geven dat het om de homeopathie gaat die is gestoeld op de oorspronkelijke uitgangspunten. Vanaf de jaren ’90 van de vorige eeuw is binnen de homeopathie een tendens ontstaan om af te wijken van deze oorspronkelijke uitgangspunten, of om de uitgangspunten selectief toe te passen. Helaas ontstaat hierdoor het risico op toepassingen die zijn gebaseerd op speculatie en willekeur. De afwijkende toepassingen hebben gezorgd voor vertroebeling van de inhoud van de klassieke homeopathie.

Hieronder staan enkele voorbeelden van toepassingen die de NOKH niet ondersteunt:

  • Samenstellen van middelbeelden op basis van symboliek, signaturen, groepsanalyse, familieanalyse, meditaties of droomprovings.
  • Selectie van een homeopathisch middel via meetapparatuur, pendelen, kinesiologie of op basis van een geïsoleerd onderdeel van het symptoombeeld, bijvoorbeeld alleen op basis van waanbeelden.
  • Voorschrijven van standaardmiddelen op basis van reguliere ziektediagnoses.
  • Homeoprophylaxis: immuniseren via verdunde en gepotentieerde vaccinatieproducten.
  • Ontstoren (bijvoorbeeld van vaccinatieschade) volgens vaste protocollen op basis van isopathie.
  • Voorschrijven van twee of meer middelen tegelijk zonder tussenevaluatie.

Andere behandelmethodes

Als een patiënt wordt behandeld volgens de methode van de klassieke homeopathie, dan vindt de NOKH het belangrijk dat deze patiënt niet wordt behandeld met andere methodes. De NOKH stimuleert het toepassen van alleen de homeopathie, omdat de homeopathische behandeling op die manier het beste te evalueren is. Bij gelijktijdige toepassing van meerdere behandelmethodes bij dezelfde patiënt is moeilijk te zeggen wat het effect van de afzonderlijke behandelingen is.

Behandelaars die ook andere behandelmethodes willen toepassen, zijn in principe welkom bij de NOKH, mits ze de homeopathische behandeling gescheiden houden van andere behandelmethodes. De NOKH is niet verantwoordelijk voor andere behandelmethodes. De behandelaar wordt in dit geval geadviseerd om zich naast de NOKH ook aan te sluiten bij een beroepsvereniging die de andere behandelmethode ondersteunt.